About

My focus lies primarily in the discrepancies between the event and the non-event. Photography as a medium cannot leave anything out, nor add anything, to a scene. In the (social) media, we have grown to be suspicious of photography, because in the end, its content turns out to be designed. In my photo sequences, I don’t stage and design the scene, but instead capture anything that may or may not happen, resulting in sequences that sometimes show an event, sometimes it shows ‘nothing’. When ‘nothing’ happens, the empty space becomes a negative of itself; it becomes an object, a motif. That, for me, constitutes the non-event.

It may show the boredom of everyday life, the routines that program us, and by extension, city life itself. It shows social interactions, also the ones that aren’t technically social at all, such as trying to avoid (eye) contact on the street or passing someone without even noticing that person. These social politics of the city’s infrastructure are brought to life in the photo sequences; with me as the harbinger.

My physical proximity to the moment, to the object, to the frame of time and space, in a way obstructs the usual passing of time. Instead of being unwitnessed and forgotten, the moment gets to be relived through another vessel. One that everyone can witness, but none can experience. No one will ever be part of the original moment as I was, while simultaneously one cannot truly experience the parallel of that moment either. A private encounter becomes publicly available, while it stays private in nature. That, by default, is a contradictio in terminis, a catch-22. It negates its own definition.

 

 

Ons leven wordt beheerst door tegenstrijdige krachten: verveling vs stress, ontspanning vs haast, leegte vs massa. Deze tweedelingen zijn sluimerende motieven die in mijn fotoreeksen aan het licht komen door middel van het contrast tussen events en non-events. Zowel het event als het non-event laat  in mijn werk de micro-(socio)politiek van de stad zien. Hoe we ons gedragen hangt af van de fysieke nabijheid van anderen, waardoor een non-actie als ‘kijken’ ineens kan veranderen in een actie als ‘het vermijden van oogcontact’.

Ik ben met mijn camera aanwezig op een bepaalde plaats binnen een bepaalde tijdspanne. Als er in die tijd ‘niets’ gebeurt, dan wordt de lege ruimte (‘de achtergrond’) omgevormd tot zijn eigen tegenpool: het wordt zelf een object. De leegte is problematisch om als uitgangspunt te nemen voor de definitie van het non-event, omdat alles wat zich binnen het frame van de foto bevindt een belang krijgt die het niet natuurlijkerwijs bezit. De enige reden dat dit (intrinsiek onbeduidende) moment wordt vastgelegd en vereeuwigd, is mijn aanwezigheid, en hoe ik mij verhoud tot deze specifieke uitsnede van tijd en ruimte. 

Veelal gebeurt het dat ik de enige waarnemer ben van een specifiek moment. Op een bepaalde manier dwarsboom ik daarmee de vergankelijkheid, het verstrijken van de tijd en de betekenisloosheid van het ongeziene moment dat van geen enkel leven deel heeft uitgemaakt, behalve het mijne. Door de vereeuwiging van ‘mijn’ momenten kan ik ze delen met anderen. Niemand kan het oorspronkelijke moment herleven, ook ik niet, en het parallelle moment, de foto, kan wel worden waargenomen, maar niet ervaren. In de fotoreeksen komt de tijd daarmee in een soort Limbo, waaruit het niet meer verder of terug kan.